formedia we worden steeds socialer

formedia we worden steeds socialer

we worden steeds socialer

  • onderwijs
    • aanpak
    • casus
    • cv importer
    • interviews
    • onderzoek
    • presentaties
    • publicaties
  • gemeentes
    • aanpak
  • bedrijven
    • aanpak
  • over ons
    • aanpak
    • contact
    • events
    • producten
    • schoolpagina
    • team
    • vacature
  • blog
home » Alumni zijn altijd up-to-date: u ook?
  • Inleiding
  • Communities
  • Assessoren
  • België
  • Fundraising
  • Geven voor Weten
  • Expert Group
  • Study of Alumni
  • Stand van Zaken

Alumni zijn altijd up-to-date: u ook?

Tijden veranderen, technologie ontwikkelt zich, internet en interactie worden een dagelijkse bezigheid. Tegenwoordig verloopt de communicatie voor een groot gedeelte via sociale netwerken van derden. Daarom is het ook voor u belangrijk om als bedrijf of kennisinstelling een eigentijdse ICT-oplossing en service aan uw alumni aan te kunnen bieden.

Door de snelle technologische ontwikkelingen die de laatste jaren plaatsvonden, hebben mensen hoge verwachtingen gekregen van hun netwerkcontacten. Contact vindt plaats op een andere manier en op een andere plaats. De manier van communiceren heeft ook een indrukwekkende reis gemaakt. Waar men vroeger een brief schreef en postte, communiceert men nu interactief met elkaar op verschillende platforms.

De manieren, middelen en locaties van communicatie veranderen aan de lopende band. Belangrijk is het echter om deze trends en ontwikkelingen goed in de gaten te houden om optimaal op de vraag van uw alumni in te kunnen spelen.

FORMEDIA doet dit door voortdurend onderzoek te verrichten. Elk onderzoek verschilt in doelgroep en markt(segment) en bezit zijn eigen karaktistiek. Door de diversiteit in onderzoeken zijn wij instaat de vraag vanuit alumni goed in kaart te brengen. Op dit duidelijk beeld van vraag en ontwikkeling proberen wij met onze service en ICT oplossingen in te spelen. Wij ontwikkelen dan ook voortdurend door aan onze online community, om te zorgen dat wij onze klanten een eigentijds product bieden. 

Boven aan de pagina's ziet u de conclusies van verscheidene verrichte onderzoeken. Indien u geïnteresseerd bent in een uitgebreider rapport van een onderstaand onderzoek, neemt u dan contact op met account manager Stephanie Wehrens door te bellen naar 0031 (0)43 362 62 88 of stuurt u een e-mail naar info@formedia.nl. 


De onderzoeken

1. Sociale netwerken: kans of bedreiging?
2. Alumni inzetten als assessor
3. The status quo of the Belgian alumni policies
4. Increasing voluntary giving to higher education
5. Geven voor weten: de vierde route
6. Fundraising by Universities from Philanthropic Sources
7. The study of Alumni
8. Alumnibeleid, de stand van zaken

 

Sociale netwerken: kans of bedreiging?

Studierichtingen en voorkeur voor netwerken
Richt u op dat sociaal netwerk waar úw specifieke doelgroep het meest actief is. Het is gebleken dat de twee sociale netwerken LinkedIn en Hyves het meest gebruikt werden door alumni van Fontys Hogescholen. Alumni met een opleidingsrichting in de sector Techniek of Economie zijn opvallend genoeg vooral actief op het sociaal netwerk LinkedIn. Dit sociale netwerk is ook bedoeld om het zakelijk netwerk in kaart te brengen en kan zeer waardevol zijn voor Fontys. Alumni van de studies met een sociale inslag zijn over het algemeen actiever op het sociaal netwerk Hyves.

En-en scenario
Sociale netwerken worden steeds populairder en zullen niet verdwijnen. Het is een feit dat veel alumni van Fontys Hogescholen binnen deze sociale netwerken dagelijks actief zijn. Fontys zou hier perfect op in kunnen spelen door actiever en zichtbaar te worden op de sociale netwerken LinkedIn en Hyves.

Echter: communiceer vooralsnog op twee plaatsen: via uw eigen platform en via sociale netwerken. Belangrijk is dat u vanuit de sociale netwerken van derden alumni probeert te converteren naar uw eigen platform. U kunt dit doen door bepaalde content te plaatsen, denkende aan aankondigingen van evenementen, maar tevens via het plaatsen van een oproep en een link naar uw eigen platform.

Om uw eigen netwerk aantrekkelijker te maken ligt het voor de hand om hierin verder te investeren, anders wordt uw alumnibeleid zondermeer afhankelijk van derden. Het bouwen op Hyves en LinkedIn kan op korte termijn wel een makkelijke oplossing lijken, maar de gevaren zijn duidelijk benoemd. De populariteit van nichenetwerken – zo is de verwachting – zal toenemen. Het zou heel goed kunnen zijn dat uw eigen alumninetwerk zo’n nichenetwerk is. Echter dan is het wel van belang de functionaliteiten naar het niveau te brengen dat alumni verwachten.

Hyves biedt de mogelijk om een zakelijke Hyves in te richten. U betaalt dan voor een zekere garantie van de service. De kosten zijn rond de 2.000€ per maand (excl. BTW) maar de exacte voorwaarden zijn niet achterhaald. Wanneer de Hyves alumni strategie van Fontys succesvol zou worden, is het van belang om tijdig contact op te nemen met Hyves om hierover afspraken te maken. Ditzelfde geldt voor LinkedIn, maar wij vermoeden dat LinkedIn niet eenvoudig te bereiken zal zijn, gezien de schaal en het internationale karakter van deze onderneming.

OpenSocial en Gadgets
Fontys zou gebruik kunnen maken van OpenSocial door een eigen widget te (laten) ontwikkelen. De netwerken waar Fontys alumni actief zijn: LinkedIn en Hyves, zijn allebei launching partners van Google’s OpenSocial initiatief. OpenSocial staat toe dat derde partijen een functionaliteit aanbieden binnen de structuur van het netwerk, waarbij gebruik gemaakt kan worden van data die beschikbaar is binnen het netwerk. Fontys zou er goed aan doen om deze mogelijkheid te overwegen omdat het tegen relatief lage kosten mogelijk wordt zichtbaar zijn binnen deze netwerken en conversie van data naar de eigen omgeving gefaciliteerd kan worden.

Data exporteren
Het sociaal netwerk LinkedIn biedt beheerders van groepen de mogelijkheid om een export te maken van hun leden. In deze data staan de namen en e-mailadressen van de leden. Wij raden u aan om deze exports met regelmaat te maken, zodat u eigenaar bent en blijft van deze data. LinkedIn kan immers altijd de beslissing nemen om deze mogelijkheid te schrappen of hier een betaalde dienst van te maken.

Groepen samenvoegen
Er bestaan in totaal 27 Fontys alumnigroepen binnen de drie sociale netwerken. Veel van deze groepen zijn vrijwel identiek. Wij raden u dan ook aan om per sociaal netwerk één centrale Fontys alumnigroep aan te maken en maximaal één alumnigroep per alumnivereniging. Hierdoor voorkomt u dat uw doelgroep zich verdeeld en op verschillende plaatsen nestelt.

Relatiebeheerders
Het is zeer belangrijk om een goede relatie met alle beheerders van de alumnigroepen (en de Fontys groepen) op te bouwen. Het is aan te raden, indien mogelijk, om medebeheerder te worden van alle Fontys alumnigroepen. De praktijk wijst uit dat dit helaas niet bij alle groepen mogelijk is. In dit geval kan een goede relatie met de beheerders van de alumnigroepen u voldoende inzicht geven in uw alumni.

Do not spam
Het is zeer belangrijk om uw alumni binnen de sociale netwerken van derden niet te bombarderen met e-mails. Praktijk wijst ook uit dat gebruikers, waaronder alumni, dit niet appreciëren binnen sociale netwerken van derden. Een periodieke e-mail kan geen enkel kwaad, maar zorg ervoor dat uw e-mails niet als spam gezien gaan worden. Zorg dat u ook daadwerkelijk wat te melden heeft wanneer u gaat verzenden.

Toegevoegde waarde aanbieden
Veel groepen merken niets van hun onderwijsinstelling of van hun beheerders. Zorg dat u waarde toevoegt aan uw groepen. Hierbij kunt u denken aan het publiceren van content en media. Zorg dat wanneer er nieuwe features worden aangeboden, u hier zelf actief gebruik van maakt. Geef groepsleden hier ook de ruimte voor. Een ander item wat toegevoegde waarde biedt aan uw alumnigroep is een sponsorschap. U kunt bepaalde groepen sponsoren om hen meer mogelijkheden te bieden.

Observe and Learn
Groepen binnen sociale netwerken hebben als groot voordeel dat u het gedrag van uw specifieke doelgroep kunt observeren. Doordat u een goed beeld krijgt van hun gedrag en hun denkbeelden kunt u uw marketinginstrumenten op uw specifieke doelgroep afstemmen. Zo bestaat de mogelijkheid dat alumni van iedere opleiding apart benaderd zal moeten worden. Denkt u aan mogelijke verschillen van stijl, houding, interesses en ideeën tussen alumni van de zeer diverse opleidingsrichtingen. Het observeren en leren van de groepen maakt het correct afstemmen van deze marketinginstrumenten mogelijk.

Hoe succes te meten?
Een succesvolle groep is uiteindelijk af te meten aan een aantal grootheden:

1. Aantal leden van de groep
2. De snelheid van de groei van de groep
3. Het aantal terugkerende bezoekers van de groep en de activiteit van deze leden, afgemeten niet alleen aan bezoek, maar ook gebruik van de mogelijkheden van de groep, zoals bijvoorbeeld posts en discussies.
4. De tevredenheid van de leden van groep

De hoeveelheid traffic die de groep genereert naar uw eigen platform

 

November 2008, verricht i.o.v. Fontys Hogescholen

 

Alumni inzetten als assessor

Geen structurele koppeling alumnibeleid en werving veldassessoren
Een van de opvallende conclusies uit het onderzoek is dat er zowel centraal als binnen de instituten van Fontys geen structureel beleid bestaat om alumni te betrekken als externe assessor. Dit is een gemiste kans omdat het onderwerp alumnibeleid en competentiegestuurd onderwijs zoals toegepast bij Fontys elkaar in potentie kunnen versterken. Onderwijs dat er op is gericht dat studenten zich bepaalde competenties eigen gaan maken is er ook op gericht om het werkveld erbij te betrekken. Dan zou het voor de hand liggen om bij voorkeur alumni uit dit werkveld te werven.

Een van de voordelen hiervan wordt al door de geïnterviewden gegeven. De alumnus kent de cultuur het gebouw en de opleiding. Er hoeft hem of haar minder te worden uitgelegd. Daarnaast is het gemakkelijk en kostensparend om alumni te werven via de database die wordt opgebouwd door het alumnibureau.

Tot slot blijkt uit het interview met het NVAO dat het belang van alumnibeleid, door hen vooral beoordeeld wordt in het kader van interne kwaliteitszorg. Wanneer een instelling alumni betrekt bij het evalueren en verbeteren van het curriculum, dan wordt dit gezien als “good practice”. De NVAO onderschrijft dat het betrekken van alumni bij het onderwijs als veldassessor een positieve beoordeling van hen zou kunnen krijgen. Wellicht dat hiermee op termijn een bijzonder kwaliteitsmerk behaald zou kunnen worden waarmee Fontys zich zou kunnen onderscheiden van ander hogescholen.

Op grond van bovenstaande zou het voor Fontys voordelig zijn om haar externe assessoren bij voorkeur onder alumni te werven. Het is een gemiste kans om dit niet te doen.

JURIDISCHE ASPECTEN
Uit de interviews en de bestudering van de OER blijkt dat er op dit moment weinig eisen worden gesteld aan de externe assessor. Op dit moment krijgt de externe assessor een minimale tot geen opleiding om zijn taak uit te voeren. Uit de interviews is gebleken dat het niveau inschatten van met name studenten die nog niet in de eindfase zitten soms een probleem kan zijn voor externe assessoren. Hiermee kan de kwaliteit van onderwijs in gevaar komen. Dit zou ondervangen kunnen worden door de instituten door het consequent toepassen om de eindverantwoordelijkheid neer te leggen bij de eerste assessor, die tevens docentassessor is.

MARKETING ASPECTEN
Wanneer alumni geworven moeten worden, spreek hen dan aan op een gevoel van verbondenheid en prijs hun expertise. Biedt een redelijke vergoeding en geef duidelijk aan wat zij er zelf aan hebben: het is goed voor hun netwerk en kennis.



november 2008 , verricht in opdracht van Fontys Hogescholen

 

The status quo of the Belgian alumni policies

Universities vs Universities of applied sciences
Universities in the Belgian Higher Education give more attention to alumni policy than universities of applied sciences. Most universities of applied sciences find themselves at the introduction phase of the alumni policy, the universities on the other hand want to extend their alumni policy. Universities consider the alumni policy more as a `business’, which has as result that the majority of the universities has an independent alumni department with alumni officers. Within the professional colleges, this is still limited.

The alumni departments within the universities work generally with a consequent automatic registration of the contact data of their alumni in their database. Only half of the universities of applied sciences have a automatic registration of the contact data of their alumni and keep their database up to date.

Another result that indicates that Belgian universities are further with their alumni policy, is the fact that universities have, on average, founded more alumni societies than universities of applied sciences.

Another big difference between universities of applied sciences and universities which came out of this research is that universities of applied sciences focus more on the topic lifelong learning and networking, the universities focus more on their brand awareness and job matching.

The Netherlands vs Flanders
But what are the specific differences between the alumni policy in the Netherlands and Belgium? In the Netherlands educational institutions are externally motivated by the NVAO, which ensures a feedback of the alumni to the curriculum. This way the curriculum remains up to date. In Flanders the external motivation by the NVAO takes place just since the year 2004-2005.

The Netherlands is within the framework of the alumni policy further than Flanders, but Flanders will experience the same increase as the Netherlands.

Flanders vs Walloon
And what are the specific differences between Walloon and Flanders? The demand for alumni software on the alumni market in Flanders is in general quiet high, especially among the universities of applied sciences. The Walloon market is on the other hand a very closed market, with a very difficult market penetration.

 

Oktober 2007, geschreven door Stephanie Wehrens

 

Increasing voluntary giving to higher education

Introduction
1. In striving for excellence in higher education, voluntary giving can make a significant difference. We are convinced that
    all higher education institutions have the potential to build a base of supporters and raise funds, focusing on their individual strengths. Some institutions have made good progress in this area over the last few years. However, there is much more that the higher education sector can achieve.

Principles
2. There are two key principles that informed our views on voluntary giving. Firstly, the role of voluntary giving is to support the development of the institution towards
achieving excellence, not on maintenance or core funding. It is not a substitute for
other sources of higher education funding, particularly public funding. Secondly,
institutions have a responsibility to build the commitment of stakeholders to their
future success and to solicit donations from those that can afford it. Higher education institutions benefit from having a charitable purpose and should, in turn, take full advantage of this in asking for financial support.

Giving in the United Kingdom (UK) and the United States of America (USA)
3. The success in fundraising of UK higher education institutions is often compared
unfavourably with their counterparts in the USA. The difference in the amounts raised in the two countries can in part be explained by the differing cultures of giving. However, the difference can also be explained by the strong presence of a culture Increasing voluntary giving to higher education 5 of asking by US universities and its virtual absence in many UK higher education institutions. The key to increasing giving is for institutions to ask, in a professional and systematic manner, for donations. The evidence of the effectiveness of this approach can be found on both sides of the Atlantic. Many public US universities came to professional fundraising in the 1970s and 1980s and have made significant gains in the amounts raised. Leading UK institutions have adopted a professional approach more recently and there is much we can learn from the successes in the USA.

4. We may never match the absolute amounts donated in the USA. Similarly it is
unrealistic to expect UK institutions to build endowments that rival those of private Ivy League universities. However, we can aim for UK higher education to model itself after public US universities and to match the share of individual donations that higher education takes in the USA. If we achieved this, even without increasing total giving, UK higher education would receive £600 million per year in donations from
individuals, which is over £400 for each UK undergraduate. This would make a
significant difference to the future development of higher education in this country.

Creating an asking institution
5. Creating a successful asking institution requires three key elements, all of which are within an institution’s control: strong institutional leadership; a committed and
involved lay leadership; and a professional, well run fundraising office.

6. An institution’s leaders, at all levels, must devote time and resources to supporting the institution’s development (ie. fundraising) strategy. Presidents of public US universities can spend up to half their time on this activity, with the post of Provost leading the academic body. In the UK, Vice-Chancellors and Principals already have significant calls on their time and Chairs of Governing Bodies and Chancellors act in a voluntary capacity, which presents a challenge for institutions seeking to take this activity seriously. The higher education sector must review their current leadership arrangements if we are to achieve the gains seen in the USA.

7. Well regarded and influential lay people can make a significant difference in the
effectiveness of alumni relations and fundraising. Other than having lay governors,
which is often a requirement of statutes, institutions generally make poor use of their
alumni and other supporters as volunteers. Current and potential donors should be
involved in advising the institution’s alumni relations and fundraising operations,
6 Increasing voluntary giving to higher education encouraging their peer group to give and to apply to become part of the institution’s governance if their expertise and skills are appropriate.

8. The success of an institution’s fundraising rests on a well run development office
which is staffed by trained professionals following best practice. The investment in
such an office should produce a significant return, over time, with a steady state
benchmark of every £100,000 spent producing between £600,000 and £1 million.

Incentivising voluntary giving
9. As charities, higher education institutions can take full advantage of the tax incentives for charitable giving. The current tax incentives for gifts from income are generous, although the system in place is complex. We believe that making the system for claiming tax relief clearer could increase gifts, especially from the small number of wealthy individuals that provide a disproportionate amount of donations.

10. The current tax relief rules prevent donors from deriving an income from, or retaining an interest in, gifts of assets or property to charities. With significant amounts of wealth tied-up in property, these rules are stopping the development of innovative schemes to encourage such gifts. In the USA such schemes, known as ‘planned giving vehicles’, are used to donate significant amounts to the higher education sector. They provide donors with tax relief and regular income in their lifetime whilst guaranteeing the institution capital on the death of donors. With widespread ownership of assets amongst alumni coming up to retirement, and a historically low number of offspring amongst which to leave this wealth, the time is right to develop such schemes in the UK.

11. The upfront investment required to establish professional fundraising offices, with a return being realised over the medium term, can act as a barrier to institutions
devoting resources to this area. We believe there is a role for the Government to
pump-prime this investment through a time limited matched funding scheme that
supports building institutions’ capacity to fundraise effectively. If this is successful, the Government should consider whether a matched funding scheme for donations
should follow.


Meer bestanden:
Increasing voluntary giving to higher education

 

Geven voor weten: de vierde route

Menselijk kapitaal, in het bijzonder de beschikbaarheid van getalenteerde en goed opgeleide onderzoekers, is de kurk waarop de kenniseconomie drijft. Zeker nu de bestaande koplopers als de VS, Korea en Japan zich extra inspannen en opkomende economieën als China en India een versnelde inhaalslag maken, is het zaak dat Nederland zich inzet om zijn R&D-ambities waar te maken en daarmee ook een magneet voor toponderzoek te zijn.

In het rapport Vitalisering van de Kenniseconomie is aangegeven dat de kennisinvesteringsquote in Nederland, zowel publiek als privaat, te laag is.1 Het rapport schetst verschillende maatrege¬len die moeten leiden tot meer investeringen in kennis en innovatie door alle partijen. Een van deze aanbevelingen is het aanboren van voor Nederland onconventionele financieringsbronnen, in het bijzonder in de particuliere sector. In dit advies stelt de werkgroep Onconventionele financieringsmethoden in de wetenschap, ingesteld door het Innovatieplatform, concrete acties voor.

Geldstromen
Universiteiten krijgen momenteel in het huidige bekostigingssysteem rechtstreeks gelden van de overheid (de eerste geldstroom) of indirect via het NWO (de tweede geldstroom). De afgelopen decennia is er een sterke uitbreiding geweest van een nieuwe bron van financiële middelen voor onderzoek, namelijk de derde geldstroom. Deze vloeit voort uit contractonderzoek ten bate van industrie, overheden, EU, maatschappelijke organisaties, et cetera.

Er blijkt echter in diverse landen in Europa, maar ook met name in de VS, nog een vierde bron van financiering van de wetenschap te bestaan die ook een significante bijdrage levert aan het wetenschapssysteem en die voortkomt uit de mogelijkheid om particuliere giften, filantropische instellingen, sponsoring en fiscale faciliteiten van de overheid in te zetten ten behoeve van de kennissamenleving. Deze voor Nederland onderontwikkelde financieringswijze spruit in het algemeen voort uit een breed gedragen steun voor de wetenschap en wordt hier aangeduid met de term vierde route. In dit rapport worden voorstellen gedaan om deze vierde route verder te verkennen en succesvol aan te boren.

Vierde route
De vierde route verdient het serieus genomen te worden als onderdeel van innovatief denken en handelen ten behoeve van onze kennissamenleving. Uitgangspunt is daarbij dat wetenschap¬pelijk onderzoek en hoogwaardige kennis goed is voor burger, bedrijf en samenleving; alleen dan zal een appèl tot versterking van de kennissamenleving ook enthousiasme kunnen opwekken bij mogelijke sponsoren en donoren. Om een positief imago van de wetenschap te bevorderen is een gestructureerd actieplan nodig, want zonder een gerichte stimulering van het idee dat de weten¬schap ‘van ons allemaal’ is, zal een cultuuromslag in particuliere financiering niet bereikt worden.

Acties
Om mogelijkheden van de vierde route beter te benutten zijn gezamenlijke, concrete acties op drie fronten noodzakelijk. Het gaat om (1) Cultuuromslag: zogenaamde science literacy, zelf-organisatie en wervingskracht van kennisinstellingen (2) Fondsvorming en -activering: individuele en collectieve verantwoordelijkheid van betrokkenen (3) Overheidsstimulering: samenwerking sleutelspelers, fiscale facilitering en benutting van kansspelen.

Cultuuromslag
- Ontwikkel met universiteiten, onderzoeksinstellingen en andere betrokkenen in het weten¬schappelijke veld een giftenbeleid voor wetenschappelijke doeleinden, vanuit de optiek van science literacy en betrokkenheid vanuit de maatschappij.
- Stimuleer een cultuuromslag bij alle betrokkenen (universiteiten, overheid, particulieren, bedrijfsleven), zodat meer en gerichter extra middelen kunnen worden verworven door onderzoeksinstellingen (onder andere alumnibeleid, universiteitsfondsen).
- Voorkom substitutiegedrag tussen publieke middelen en middelen verworven uit de vierde route (bijvoorbeeld via een Innovatieakkoord).
- Versterk over en weer publieke financiering en private financiering door middel van giften door intensivering van de samenwerking met filantropische partners, onder andere door een gezamenlijk beleid gericht op complementariteit te ontwikkelen en een bonus¬beleid op te zetten (bijvoorbeeld matching van gelden voor onderzoeksbeurzen voor talentvolle studenten).

Fondsvorming en -activering
- Bundel waar mogelijk krachten en richt in samenspel met universiteiten en andere partners in het wetenschappelijke veld een Nederlands Stimuleringsfonds voor wetenschap en on¬derzoek op, als aanvulling op en versterking van thans bestaande locale initiatieven. Het verdient daarbij de voorkeur aan te sluiten bij een al bestaand fonds, in het bijzonder bij het Prins Bernhard Cultuurfonds, omdat wetenschap past binnen de doelstellingen van dat fonds. De vulling van dit fonds kan plaatsvinden uit particuliere initiatieven, uit revenuen van kansspelen, enzovoort.
- Breng waar mogelijk bestaande particuliere fondsen die de wetenschap willen stimuleren (met behoud van de eigen identiteit) administratief onder in dit landelijke fonds, dat dan fungeert als koepelfonds (Fondsen op Naam) en betrek daarbij in elk geval het FIN (Ver¬eniging van Fondsen in Nederland).
- Verken in overleg met banken de mogelijkheid slapende fondsen met een wetenschappe¬lijke doelstelling op te sporen en breng, waar mogelijk en wenselijk, de tegoeden samen, bijvoorbeeld in het genoemde Stimuleringsfonds (uiteraard onder afweging van kosten en baten).
- Richt een Social Venture fonds op voor wetenschappelijk investeren en start zo snel moge¬lijk met een pilot met het particuliere bankwezen.
- Integreer, waar gewenst en mogelijk, per universiteit de bestaande en vaak versnipperde universiteitsfondsen tot een breed universitair fonds met professioneel vermogensbeheer met hogere rendementen.

Gerichte overheidsstimulering/kansspelorganisaties
- Breid de vrijstelling van afdracht van successierecht voor legaten en giften voor musea uit met instellingen voor wetenschappelijk onderzoek.
- Verklaar de procentuele bovengrens voor aftrek van giften niet van toepassing op donaties in het kader van de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
- Pas de fiscale regelgeving zodanig aan dat de fiscale faciliteiten niet alleen het samen-brengen van fondsen voor wetenschappelijke doelen stimuleren, maar dat zij daarvoor ook daadwerkelijk worden benut.
- Breid de bestaande vrijstellingen voor onder andere culturele beleggingen in de vermo-gensrendementsheffing uit met beleggingen met een wetenschappelijke doelstelling.
- Onderzoek de mogelijkheid of voor het detacheren van personeel tussen academische instellingen een regeling kan worden getroffen gelijk aan die voor de sociaal-culturele en de zorgsector, opdat de detachering tussen die instellingen onder voorwaarden zonder BTW-heffing (of tegen een lager tarief) kan plaatsvinden.
- Maak afspraken met de organisaties voor kansspelen om het systeem van afdracht aan goede doelen aan te passen en open te stellen voor hoogwaardige kennis- en weten-schapsprojecten die in de vorm van een getoetste portefeuille van opties aangeboden kunnen worden vanuit het Stimuleringsfonds voor wetenschap en onderzoek.

Deze aanbevelingen vragen om een zorgvuldig vervolgtraject met een diepgaande analyse van alle nationale en internationale – met name Europese – regels terzake. Daarvoor is veel fiscaal-economische en juridische kennis nodig.

Task force
Om dit pakket van verschillende typen maatregelen en aanbevelingen snel tot een goed einde te brengen, beveelt de werkgroep aan om bijvoorbeeld onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in samenspel met andere partners, zoals de ministeries van Financiën, Economische Zaken, universiteiten, bedrijfsleven, filantropische en financiële instellingen, VSNU, NWO en anderen, een task force in te stellen om voor het eind van 2005 de hier voorgestelde concrete acties op hun realiteitswaarde te toetsen, partijen te mobiliseren en eerste initiatieven te ontwikkelen en de voorgestelde acties verder uit te werken. Op basis van dit actieplan kan het kabinet dan een besluit nemen.

Daartoe is nodig dat in de tussentijd universiteiten met een concreet actieplan komen. Daarnaast kan meteen een pilot gestart worden op het terrein van social venturing van de wetenschap in samenwerking met private banking-vertegenwoordigers en topwetenschappers.

 

Juni 2005, Werkgroep Geven in Nederland


Meer bestanden:
Geven voor Weten 

 

Expert Group on fund-raising of universities from philanthropic sources

Context
Philanthropy can be a substantial source of funding for universities as proved by United Kingdom and Sweden, where it funds more than 16% of university R&D expenditure. Nevertheless, its potential has not been fully released in this regard, the European average being just 4.2%.

Most of the European Higher Education Institutions (HEIs) try to leverage funds from philanthropic sources (foundations, trusts, charities, non-profit organizations, corporate and individual donors, alumni) but with mixed results. Disappointing results are often due to a lack of strategic approach and professional fund-raising structure. Moreover, peer learning is difficult given the lack of reliable data on the situation of fund-raising in Europe, as well as the huge diversity of legal, institutional, historical, cultural, economic and governance contexts in European countries.

Objectives of the Expert Group
The need to improve knowledge on fund-raising of universities from philanthropic sources was notably discussed by the stakeholders at the conference on "Giving more for research in Europe", organized by the European Commission in co-operation with the European Foundation Centre in March 2006.

As a result, the Directorate General for Research has launched, on 12 January, an independent expert group, composed of high level representatives from European universities and leading research foundations. They identified and reviewed good practices and barriers to fund-raising of universities from philanthropic sources in a national and international context.

Based on this review, the group developed models of internal and external organizations and management for the interactions of universities with private donors for research. In doing so the following dimensions were examined:

• Building and managing relations with potential donors (types of institutional communication to encourage giving, communicating relevance of university-based research, building long-term relationships with alumni based on a sense of co-ownership, identifying and canvassing other potential donors, building networks, adapting to differing cultures amongst donors in different countries, changing attitudes towards giving);
• University operating structures, competence and culture in support of fundraising (level of university autonomy and responsibility for their own research funding needs, commitment to professional fundraising by university leadership; professional fundraising structures, good governance, transparency and accountability);
• Diversification of university-based research funding (public support of research fundraising, matching schemes, tax incentives, public-private endowments to increase giving to universities, complementarily with public research funding).

Finally, the expert group identified the roles and responsibilities of all actors involved in funding research in universities and outlined the Expert Group’s recommendations for releasing the untapped potential of philanthropy for funding university research. The recommendations are addressed to a number of different audiences such as universities, philanthropic bodies, national governments, European institutions and general public.

 

2008, geschreven door Prof. Dr. Geert Sanders


Meer bestanden:
Fundraising by Universities from Philanthropic Sources 

 

The study of alumni

Professional success, commitment to the university, and the role of the academic learning environment.

Door de snelle ontwikkelingen van de kenniseconomie krijgen universiteiten in toenemende mate te maken met onderlinge competitie. In verschillende rankings wordt gekeken naar welke universiteit ‘de beste’ is. Hierbij spelen indicatoren als een aangename leeromgeving, hoge rendementen en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt een rol. Wat betreft het laatste gaat het erom dat afgestudeerden bij de start van hun loopbaan, maar ook in het vervolg van hun carrière, over voldoende kennis beschikken, zowel vak-specifieke kennis als algemeen-academische kennis. Ook spelen vaardigheden hier een belangrijke rol, zoals communicatieve vaardigheden (mondeling, schriftelijk, maar ook het kunnen werken met moderne technologische middelen), sociale vaardigheden en vakspecifieke vaardigheden. Over de inhoud en het niveau van de kennis en de vaardigheden van afgestudeerden hebben werkgevers verwachtingen. Voor universiteiten is het belangrijk in te kunnen spelen op deze verwachtingen. Immers, als een universiteit in staat is studenten zodanig op te leiden dat zij snel na afstuderen aan het werk kunnen, zal dit ten goede komen aan een positief imago onder toekomstige studenten. Dit positieve imago wordt ook versterkt naarmate afgestudeerden succesvoller zijn in hun carrière. Dit betekent dat het voor universiteiten belangrijk is te weten hoe de aansluiting tussen onderwijsprogramma’s en de eerste fase van de loopbaan verliep en op welke wijze de universiteit invloed kan hebben op het carrièresucces van haar afgestudeerden. Op basis van deze informatie kunnen universiteiten hun programma’s verbeteren teneinde hun studenten met de juiste bagage succesvol over te kunnen dragen aan de arbeidsmarkt.

Hoe krijgen universiteiten informatie over de loopbanen van hun afgestudeerden? En hoe krijgen universiteiten inzicht in de aansluiting tussen hun programma’s en de verwachtingen die werkgevers hebben over de kennis en vaardigheden van afgestudeerden? Hier spelen de afgestudeerden zelf een belangrijke rol. Zij kunnen beoordelen in hoeverre hun opleiding heeft bijgedragen aan een goede start op de arbeidsmarkt. Daarbij kunnen zij hun alma mater informeren over de relatie tussen hun loopbaan, de kwaliteit van de onderwijsprogramma’s en hetgeen zij geleerd hebben tijdens hun opleiding. Echter, de bereidheid van afgestudeerden om universiteiten deze informatie te geven zal afhangen van hun betrokkenheid bij de universiteit. Juist vanwege het toenemende belang van gegevens over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is de betrokkenheid van alumni een belangrijke issue geworden. Ondanks dat wordt in Europa amper onderzoek gedaan naar hoe universiteiten de betrokkenheid van alumni kunnen stimuleren. Een andere situatie doet zich voor in de Verenigde Staten. Doordat daar een groot aantal universiteiten financieel sterk afhankelijk is van donaties, is interesse ontstaan naar verklarende factoren van de bereidheid van alumni om hun universiteit financieel te steunen. In Europa kennen we deze traditie niet in die mate. Wel is er toenemende aandacht vanuit de kringen van bestuurders en beleidsmakers voor het vinden van nieuwe financiële bronnen, omdat de overheidsbijdragen steeds lager worden. Echter, alumni worden niet alleen gezien als potentiële financiële donoren. Universiteiten zien alumni ook steeds meer als ambassadeurs van hun instelling, die een positief imago kunnen uitdragen en daarmee nieuwe studenten kunnen aantrekken. Juist vanwege deze aandacht voor afgestudeerden is onderzoek naar de verklarende factoren van betrokkenheid van alumni bij hun universiteit hoognodig.

De studies in dit proefschrift gaan in op zowel de relatie tussen leeromgevingen en carrièresucces als de relatie tussen de studietijd en de betrokkenheid van alumni bij hun universiteit. De studies die beschreven staan in Hoofdstuk 2 en 3 zijn uitgevoerd om te onderzoeken hoe de leeromgeving invloed heeft op de ontwikkeling van de kennis en competenties die afgestudeerden nodig hebben in de beroepspraktijk. Om dat te bereiken is een model getest dat de relaties weergeeft tussen carrièresucces en kenmerken van de leeromgeving. De studies in dit model gaan in op de wijze waarop carrièresucces verklaard wordt door de studieresultaten van studenten, hun leerproces en de kwaliteit van de leeromgeving. In Hoofdstuk 4 wordt een studie beschreven over de effecten van de leeromgeving op het ontwikkelen van beroepscompetenties. Daarbij zijn de competenties van afgestudeerden uit twee verschillende leeromgevingen vergeleken, namelijk probleemgestuurd onderwijs en conventioneel onderwijs. Het gaat daarbij in het bijzonder om de effecten van de leeromgevingen op de mate waarin afgestudeerden bepaalde algemene beroepscompetenties beheersen. Hoofdstuk 5 bevat twee studies waarin een model is getest over invloed van de leeromgeving en de studietijd op de betrokkenheid van alumni bij hun universiteit.

Geschreven door Lyanda Vermeulen-Kerstens

 

Alumnibeleid, de stand van zaken

In hoeverre is het alumnibeleid van universiteiten, hogescholen en MBO-colleges in Nederland en Vlaanderen ontwikkeld?
Naar aanleiding van de literatuur is een internetonderzoek gestart naar de punten waarop universiteiten het alumnibeleid ontwikkeld hebben. Na een eerste verkenning bleek al dat de websites van universiteiten het meest uitgebreid waren, ook omdat er op MBO-niveau geen website voor alumni is gevonden en ze bij hogescholen ook vaak nog ontbraken, minimaal waren of moeilijk te vinden. Dit bevestigde de verwachting dat universiteiten verder waren met het alumnibeleid dan andere onderwijsinstellingen.

Uit de websites van universiteiten kwam naar voren aan welke zaken universiteiten aandacht hadden geschonken als het ging om alumnibeleid. Deze zaken, in combinatie met de elementen, gaven aan wat op het moment waarschijnlijk het maximaal haalbare is dat georganiseerd kan worden voor alumni, ervan uitgaande dat universiteiten het alumnibeleid het verst ontwikkeld hadden. Deze aanname is aangehouden, omdat de ervaringen van FORMEDIA, de literatuur, en de verkenning van de websites deze kant op wezen.

Ervaringen van het communicatiebureau lieten al blijken dat FORMEDIA dacht dat universiteiten het alumnibeleid verder ontwikkeld hebben dan hogescholen, en zij weer meer dan MBO-colleges. Literatuur sprak de ervaringen van het bureau niet tegen, maar ging in dezelfde richting. Er werd aangevoerd dat alumni de meest hechte band opbouwen met de instelling waar ze het laatst gestudeerd hebben. Als studenten door gaan studeren, is dit vaker aan een onderwijsinstelling met een hoger dan met een lager niveau. Dit zijn dan vaak hogescholen en meer nog universiteiten. Het belang van het alumnibeleid werd daardoor als eerste bij deze onderwijsinstellingen duidelijk. Voor universiteiten is het daarom het minst moeilijk geweest en het meest rendabel om te starten met het alumnibeleid.

Een gesprek met oud-staatssecretaris Nijs (persoonlijke mededeling, 3 december 2004) bevestigde de ervaringen en literatuur. Zij gaf aan dat de Universiteit Utrecht vooropliep met het alumnibeleid: deze universiteit doet er veel aan om van alumni de correcte adresgegevens te achterhalen, bouwt een goede band op met haar alumni en organiseert regelmatig activiteiten. Het internetonderzoek bevestigde haar opmerking hierover. De UvA gaf tijdens het gesprek aan dat universiteiten zich op het moment vooral afvragen hoe ze verder moeten op het gebied van fundraising. Hogescholen worstelen voornamelijk met de vraag hoe ze het alumnibeleid moeten aanpakken en veel MBO-colleges vragen zich af waarom ze moeten beginnen met het alumnibeleid.

Ook uit de interviews en de enquête is gebleken dat universiteiten voorop lopen met het ontwikkelen van het alumnibeleid. Zij hebben vaker op zowel centraal als decentraal niveau zaken geregeld voor alumni, zijn al langer geleden begonnen met het opstarten van het alumnibeleid en organiseren meer voor hun alumni. Activiteiten die vaak georganiseerd worden zijn alumnidagen, bijscholingscursussen en borrels. Voorzieningen die het meeste getroffen zijn, zijn een alumniwebsite en een alumnimagazine. Universiteiten in zowel Nederland als Vlaanderen hebben fondsenwerving vaak op de agenda staan, al lijkt het erop dat fondsenwerving in Nederland en Vlaanderen niet net zo’n grote rol gaat spelen als in de Verenigde Staten. Fondsenwerving bij hogescholen staat nog op een erg laag pitje en bij MBO-colleges is hier nog geen begin mee gemaakt.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat niet alleen universiteiten overtuigd zijn van het nut van alumnibeleid, ook al is gebleken dat het nut nog niet bij elke onderwijsinstelling is doorgedrongen. Eén van de belangrijkste zaken die onderwijsinstellingen bij alumnibeleid zien, is het verbinden van alumni aan de onderwijsinstelling als ambassadeur. Op deze manier kunnen alumni ervoor zorgen dat de onderwijsinstellingen bekend wordt bij de buitenwereld en eventuele nieuwe studenten en zij kunnen ook bijdragen aan een goed imago van de onderwijsinstelling. Op MBO-niveau blijken alumni belangrijk te zijn voor het koppelen van bedrijven aan de opleidingen, om zo aan voldoende stageplaatsen te komen.

Naar aanleiding van de definitie van onderwijscommunicatie van Hoffer (2004) is de verwachting dat er voor alumnibeleid, net als voor alle communicatie binnen het onderwijs, een beperkt budget en beperkte tijd begroot zijn. Bij de interviews was het hoogste budget voor alumnibeleid €200.000,-, maar vaak was er nog geen geld opzij gelegd voor alumnibeleid. Uit de enquête bleek dat het budget inderdaad vaak niet hoger ging dan €10.000,- en dat er niet meer dan 1 fte worden besteed aan alumnibeleid. Hierbij zijn ook uitzonderingen te noemen: op universitair niveau, en soms ook bij hogescholen, worden er soms veel fte en geld besteed aan alumnibeleid. Dit kan oplopen tot meer dan €100.000, per jaar en 3 fte. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het niet bekend is wat het percentage is dat onderwijsinstellingen besteden aan alumnibeleid. Daardoor is niet met zekerheid te zeggen dat het budget voor alumnibeleid, net als voor andere vormen van onderwijscommunicatie, beperkt is.

In dit verslag, dat een samenvatting is van het rapport dat als PDFfile onderaan deze pagina te vinden is, worden de resultaten van het onderzoek naar het alumnibeleid van onderwijsinstellingen in Nederland en Vlaanderen gegeven. Dit onderzoek is uitgevoerd tussen augustus 2004 en januari 2005.

 

Januari 2005, geschreven door Laura Derkse.


Meer bestanden:
Alumnibeleid, de stand van zaken
Alumnibeleid, de stand van zaken (omslag)

 

nieuwste blogs

Wetenschappers en Social Media »
Social media als universitaire lijm »
Succesvolle intervisie bijeenkomst Utrecht »
lees alle blogs >>
 

nieuwsbrief

meld je aan voor de nieuwsbrief:

 

contact

  • spreek direct met één van onze medewerkers
  • bel mij nu

info@formedia.nl
T 0031 – (0)43 362 62 88
F 0031 – (0)43 362 62 89

postadres

FORMEDIA
postbus 5038
6202 WD Maastricht

bezoekadres

St. Maartenslaan 26 unit 20
6221 AX Maastricht

laatste tweets

9 hours 52 min ago — Het #NCOSM heeft bijdragen van de HAN, Radboud, NHL, Inholland, Zuyd, TU Delft, VU, OU en de SURFacademy #trots http://t.co/5GdkhJiQ
16 hours 42 min ago — Laatste spreker vastgelegd voor het #NCOSM. Het is: @KBIRI. Nu als een spreer de brochure maken :)

volg ons op twitter »

formedia - we worden steeds socialer